słownik polsko - niderlandzki

język polski - Nederlands, Vlaams

babcia po niderlandzku:

1. grootmoeder grootmoeder


Mijn grootmoeder maakte me een nieuwe jurk.
Mijn grootmoeder ziet niet te goed.
Mijn grootmoeder klaagt altijd van de kou.
Herinnert gij u nog de voornaam van uw grootmoeder?- Neen, ik noemde haar altijd gewoon oma.
Zijn moeder stierf toen hij jong was, en zijn grootmoeder heeft hem opgevoed.
Mijn grootmoeder postte de brief vanmorgen.
Er is al veel tijd voorbij sinds ik mijn grootmoeder bezocht heb.
Ze komt zeker goed overeen met mijn grootmoeder.
Ik bezoek mijn grootmoeder twee keer per week.
Mijn grootmoeder wiedde onkruid in de achtertuin.

Niderlandzkie słowo "babcia" (grootmoeder) występuje w zestawach:

Dit is mijn familie

2. de grootmoeder de grootmoeder



Niderlandzkie słowo "babcia" (de grootmoeder) występuje w zestawach:

Dział Mensen - strona druga

3. de oma de oma



Niderlandzkie słowo "babcia" (de oma) występuje w zestawach:

1000 najpopularniejszych słów po niderlandzku 951 ...

4. oma oma


Zelfs mijn oma kan een boodschap sturen.
Toen ik klein was, kwamen opa en oma nog om op te passen. 's Avonds op bed las oma me voor. Of opa vertelde een verhaal.
Het is toch maar goed dat ik een oma heb!
Op mijn bed ligt een gekleurde sprei, die mijn oma ooit gemaakt heeft.
Overdag past Oma op de kinderen.
Oma kijkt heel graag televisie.